Fysiotherapie bij kinderen met het syndroom van down

Fysiotherapie bij kinderen met het syndroom van down

In dit blog leest u wat het syndroom van down inhoudt en wat voor een behandelingen mogelijk zijn.

Elk jaar worden er ongeveer 250 tot 275 kinderen geboren met het syndroom van down. Kinderen die geboren worden met het downsyndroom hebben een tragere lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling dan leeftijdsgenootjes. Om deze kinderen te helpen met bewegen, is fysiotherapie vanaf jonge leeftijd noodzakelijk.

 

Wat is het syndroom van down?
Het syndroom van down wordt veroorzaakt door een fout in het DNA. Ons DNA wordt opgeslagen in onze chromozomen. Normaal gesproken hebben mensen 46 chromozomen. Mensen met het syndroom van down hebben 47 chromozomen. Mensen met deze genetische afwijking hebben van het 21e chromozoom 1 chromozoom te veel. De afwijking is aangeboren en zal niet meer weggaan.

 

Hoe kunt u iemand met het syndroom van down herkennen?
Het syndroom van down gaat gepaard met zowel lichamelijke als verstandelijke beperkingen. De mate van beperking verschilt per persoon. Buiten de lichamelijke en verstandelijke beperking kunt u mensen met het downsyndroom ook herkennen aan uiterlijke kenmerken. Zo hebben mensen met het syndroom van down schuinstaande ogen, een ronder gezicht met een vlak achterhoofd, een extra huidplooi bij de binnenste ooghoek, korte ledenmaten en kleine handen en een kleine mond met grote tong.

 

Ook veroorzaakt het syndroom van down een grotere kans op gezondheidsproblemen. Het meest voorkomende gezondheidsrisico onder mensen met het syndroom van down is een aangeboren hartafwijking. Dit komt namelijk bij 45% van de mensen met het downsyndroom voor.

 

Andere gezondheidsproblemen die veel voorkomen zijn:

  • Darm- en maagproblemen
  • Nierziekten
  • Een langzaam of juist snelwerkende schildklier
  • Epilepsie
  • Slechter gehoor en verminderd gezichtsvermogen
  • Diabetes
  • Dementie op jonge leeftijd
  • Problemen met de ademhaling en luchtwegen

 

Wat is het nut van fysiotherapie bij kinderen met het syndroom van down?
Kinderen met het syndroom van down hebben te maken met het vertraagd ontwikkelen van motorische vaardigheden. Zo kunnen kinderen met het syndroom van down gemiddeld gezien pas lopen zonder hulp na 19 maanden in tegenstelling tot de 12 maanden die kinderen zonder het syndroom van down nodig hebben om te kunnen lopen zonder hulp.

 

Fysiotherapie helpt bij het ontwikkelen van motorische vaardigheden. Ook kan fysiotherapie helpen bij andere gezondheidsproblemen, zoals problemen met de ademhaling.

 

Het behandelen van kinderen met het syndroom van down
Het behandelen van kinderen met het syndroom van down vergt veel kennis en ervaring. Daarbij kunnen niet alle kinderen op dezelfde manier behandeld worden. Het is noodzakelijk goed naar uw patiënten te kijken en de behandeling aan te passen aan hun behoeftes.

 

Om de ontwikkeling van de basis-motorische vaardigheden te stimuleren, wordt gekeken naar 9 functionele fases. Deze fases worden gemiddeld gezien doorlopen in de eerste 3 à 4 levensjaren van een kind met het syndroom van down.

 

De 9 functionele fases, volgens het onderzoek naar kinderen met het syndroom van down door de universiteit van Utrecht, zijn:

  1. Motoriek in buikligging
  2. Motoriek in rugligging
  3. Omrollen
  4. Zitten
  5. Voortbewegen over de grond
  6. Mobiliteit rondom de zithouding
  7. Mobiliteit rondom staan
  8. Gaan staan
  9. Gaan lopen

 

Tijdens de fysiotherapeutische behandelingen om de motorische vaardigheden te ontwikkelen spelen de ouders een grote rol. Aangezien groot en deels van de dag thuis gespendeerd wordt. Het is dus erg belangrijk dat ouders weten wat ze thuis moeten doen om de motorische ontwikkeling van hun kind te stimuleren.

 

Fase 1. Motoriek in buikligging
Kinderen met het syndroom van down hebben moeite met bewegingen die tegen de zwaartekracht in gaan. Dit kan zorgen voor een zeer statische buikligging. Oefeningen die het bewegen in buikligging stimuleren zijn onder andere het uitreiken en pakken spel en het ondersteunen van de borst met beweegbaar oefenmateriaal, zoals een foamroller of bal.

 

Fase 2. Motoriek in rugligging
Voor de motoriek in rugligging geldt net als bij de motoriek in buikligging dat kinderen met het syndroom van down moeite hebben met bewegingen tegen de zwaartekracht in. Dit resulteert in een vlakke, statische rugligging. Het is belangrijk dat hiervoor oefeningen gebruikt worden die bewegen in de rugligging stimuleert. Een oefening die hierbij zou kunnen helpen, is het veranderen van de uitgangspositie van de rugligging. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door het kind in een stoeltje te zetten dat geen vlakke rugsteun heeft.

 

Fase 3. Omrollen
Omrollen gebeurt relatief weinig bij kinderen met het syndroom van down. Dit komt doordat deze kinderen veel moeite hebben met het bewegen tegen de zwaartekracht in en door de eventuele aanhoudende problemen bij de eerste twee fases. Om het omrollen te stimuleren en te oefenen kan gebruik gemaakt worden van een bobathbal, een kantelplank of een oefenrol.

 

Fase 4. Zitten
Kinderen met het syndroom van down hebben in het algemeen moeite met zitten. Tijdens het zitten worden zowel handen als benen gebruikt om extra steunoppervlak te creëren. Daarbij is er ook een gebrek aan balans, waardoor er weinig veranderingen in de houding plaatsvinden en spelen lastig is. De basis van zitten komt voort uit de voorafgaande fases. Nu de zit-fase is aangebroken kan blijken dat bepaalde houdingen nog niet voldoende ontwikkeld blijken. Om in dit geval goed zitten mogelijk te maken, dienen oefeningen uit eerdere fases herhaald te worden. Daarbij kan zitten geoefend worden door het kind op een instabiele ondergrond, zoals een balansmat, te zetten.

 

Fase 5. Voortbewegen over de grond
In deze fase spelen er veel problemen op met het steunen op armen en benen. Hierbij vinden veel kinderen het lastig hun gewicht te verdelen en te verplaatsen over verschillende steunpunten. De basiseisen van voortbewegen worden met name ontwikkeld in de voorgaande fases. In deze fase staan de asymmetrische bewegings- en houdingspatronen centraal. Dit kan geoefend worden door het kind zichzelf voort te laten bewegen over een schuine ondergrond.

 

Fase 6. Mobiliteit rondom de zithouding
Tijdens deze fase wordt er gewerkt aan het zelfstandig gaan zitten. Dit kan geoefend worden door de borst van het kind te laten steunen op een bal of rol, zodat de draai tot zitten makkelijker gemaakt kan worden. Als dit voldoende geoefend is, kan het bewegen in zithouding gestimuleerd worden door te spelen met het kind. Dit kan bijvoorbeeld door het uitreiken en pakken spel.

 

Fase 7. Mobiliteit rondom staan
Het zal enige tijd duren voordat kinderen met het syndroom van down volledig zelfstandig kunnen staan en lopen. In de beginfase zal het kind veel ondersteuning nodig hebben en de benen zullen moeite hebben met het dragen van het gewicht. Dit kan geoefend worden door het geleidelijk opbouwen van het gewicht dat rust op de benen. Dit doet u door het kind met de romp op een bal of blok te laten steunen om vervolgens de hoek steeds meer verticaal te laten lopen. Vanaf het moment dat staan lukt, kan de stabiliteit verbeterd worden door het kind op onstabiele oppervlaktes te laten staan.

 

Fase 8. Gaan staan
Het gaan staan komt moeilijk tot ontwikkeling bij kinderen met het downsyndroom. Op het moment dat kinderen met het downsyndroom gaan staan, wordt er veel gebruik gemaakt van materialen waaraan ze zich kunnen optrekken. In deze fase wordt het zelfstandig gaan staan door middel van de schuttingshouding gestimuleerd. Ook is het belangrijk dat het kind leert opstaan vanuit de zithouding. In beide gevallen kan het helpen de romp van het kind te ondersteunen. Het is wel belangrijk dat het ondersteunen langzamerhand afgebouwd wordt.

 

Fase 9. Gaan lopen
In veel gevallen hebben kinderen met het syndroom van down moeite met lopen, zeker in de beginfase van het gaan lopen. Dit komt vaak door evenwichtsproblemen en het gebrek van meebewegen van andere lichaamsdelen. Dit zorgt ervoor dat veel kinderen houterig en met een gespreide stand van de benen lopen. Oefeningen die het lopen stimuleren zijn onder andere trampoline springen, steppen, over een balk lopen met en zonder steun, stappen op een opstapje, lopen met een loopwagentje of traplopen.

 

Wat heeft Disporta u te bieden?
Wij van Disporta bieden u verschillende oefenmaterialen aan. U kunt hierbij denken aan oefenballen, matten om de balans op te oefenen en foamrollers.

 

 

Vond u dit artikel interessant en heeft u interesse om op de hoogte gehouden te worden over nieuwe artikelen en het laatste nieuws, meldt u dan aan voor de nieuwsbrief.

 

 

 

 

Uitgebreid assortiment

voor zorgprofessionals

Deskundig Advies

Gratis verzending

vanaf € 100, - (excl. BTW)